De jacht op de reclamejongens

De ondernemingen zijn de motor van onze economie, de communicatie de motor van onze ondernemingen. Een doctoraatsstudie uit Frankrijk bewees onlangs de overduidelijke correlatie tussen publiciteit en economische groei. Alsof dat nog moest bewezen worden. 

En toch zijn we op één of andere manier de paria’s van de samenleving geworden. Eenmaal je ooit in de sector actief was, behoor je tot de laagste kaste die smalend ‘de reclamejongens’ genoemd wordt. En daar mag je dan naar hartenlust op jagen.

Het jachtseizoen is duidelijk open. De opper-jachtmeesters behoren tot de hoogste regionen van de PS kaste: André Frédéric, Colette Burgeon en Yvan Mayeur dienden zonet een wetsvoorstel in om een ‘Federale Raad voor reclamepraktijken’ op te richten. Deze instelling krijgt als taak om aanbevelingen te doen “ter regulering van de reclame”. Als belangrijkste (en voor zover ik begrijp, de enige) output “zendt deze Raad in het belang van al onze medeburgers jaarlijks een activiteitenverslag aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat”. Zover nog onschuldig. Binnen de Raad wordt er voorgesteld om een commissie op te richten, die ermee belast wordt “om klachten en geschillen inzake reclame te beslechten”. Om het fonds te “stijven” (aldus de schitterende woordenschat van het wetsvoorstel) zal iedere adverteerder 0,05 procent moeten ophoesten van zijn reclame-investering. Betaal je niet tijdig, of volg je niet strikt de oekazes van de Commissie, dan wordt je als adverteerder onmiddellijk gestraft met een geldboete tot 50.000 Euro.

wetsvoorstel.jpg

De reden waarom “reclamejongens” tot de laagste soort criminelen behoren staan duidelijk vermeld in het wetsvoorstel. Ik citeer er enkele. De “aanzwellende reclamestroom kan niet alleen leiden tot een niet alleen virtuele, maar ook concrete vervuiling die schadelijk is voor het milieu”. “Bovendien zet al die reclame aan tot overconsumptie”. “Reclame wordt vaak aangewend om nieuwe verlangens op te wekken... dat is bijvoorbeeld het geval met schoonmaakdoekjes” (sic ;-)). “Het dominante consumptiemodel dat door reclame wordt uitgedragen, marginaliseert wie die producten niet bezit”. De reclame wordt eveneens verantwoordelijk geacht voor de “negatieve gevolgen voor het milieu wegens de afvalberg, de hogere CO2-uitstoot en de vervuiling in het algemeen”. “Kinderen en jongeren zijn de eerste slachtoffers...” (van die schoonmaakdoekjes?) en zo gaat de sloganeske taal van deze notoire politici nog even door. Als klap op de vuurpijl wordt Bruno Vanspauwen zelfs uit de toverhoed gehaald, letterlijk vermeld en als bondgenoot binnengehaald want “het vraagstuk omtrent de zin van reclame zit ook bepaalde vertegenwoordigers uit de reclamesector niet lekker”. Bruno, ik hoop dat je de auteurs onverwijld aanklaagt voor smaad, laster en eerroof.

Dit soort regelrechte aanvallen van politici op ons vak zijn niet nieuw en komen niet alleen uit PS hoek. Politica-artieste Margriet Hermans, VLD-senator, stelde reeds eind december 2005 een voorstel van resolutie op voor de oprichting van een soort reclame-tribunaal. En ook internationaal zet de trend zich door. Een open debat over eerlijkheid van reclame en ethiek in reclame moeten we niet uit de weg gaan. Maar de door deze politici gebruikte woordenschat in het wetsvoorstel is beledigend en vernederend voor ons vak. En daarenboven nog een nutteloze extra belasting op reclame willen heffen is er alleszins over. 

‘Reclamejongens aller landen, verenigt u’. Spring op de barricades. Blijf niet aan de kant toekijken, maar reageer tegen deze frontale aanvallen op ons beroep. En motiveer en ondersteun onze belangenverenigingen (RvR, UBA, ACC, UMA, ...) om eindelijk eens in de Wetstraat op tafel te gaan slaan. Want ‘trop’ is absoluut ‘te veel’!

<Column gepubliceerd in PUB, 24 januari 2008>

©The House of Brands bvba @ 2015